Op het mooiste plekje in het dal Sorek staat een oude boom.
In zijn bast is een hartje gekerfd met een pijl. Aan de ene kant staat een D.
en aan de andere kant een S. Onder die boom zitten twee verliefde mensen hand
in hand naar de ondergaande zon te kijken. De man is stevig gebouwd en niet zo
heel erg jong meer. De vrouw is klein, jong en heel mooi. Het zijn... Simson en
Filistijnse Delila. Ja, Simson heeft eindelijk de vrouw van zijn dromen
ontmoet. 'Delila,' fluistert hij, 'Ik hou van je. Meer dan van iets of iemand
anders.'
Er beweegt iets in de struiken vlakbij. Het verliefde stel
merkt er niks van. Ze denken allen maar aan elkaar. Het is... een spion van de
koning van Gat. Zachtjes sluipt hij weg.
Een paar dagen later is er spoedvergadering in de sjieke
woning van koning Kar van Gat. Zijn vier Filistijnse medekoningen zijn gekomen
om over Simson te praten.
'Goed nieuws, mannen.' gnuift Kar, 'Onze vijand is zwak
geworden, want hij is verliefd. Op Delila nogal liefst...'
Opgewonden vertelt hij wat zijn spion heeft gezien.
'Als zij nou eens met ons mee zou werken.' peinst de koning
van Ekron. 'We moeten achter het geheim van Simsons ongelofelijke kracht zien
te komen.'
'Met geld bereik je veel,' zegt de koning van Gaza. 'Laten
we haar flink wat zilverstukken beloven, dan doet ze het wel.'
Ja, de koning van Gaza heeft het goed gezien. Het kostte
echt niet zoveel moeite om Delila om te praten. Och, ze hield wel van Simson,
maar zo'n kans om rijk te worden kreeg ze nooit meer.
'Simson,' zegt ze dus een paar dagen later, 'Hoe kom jij aan
je kracht? Is er iets waarmee ze je kunnen vastbinden, zodat je niet meer los
kunt komen?'
Simson tikt lachend met z'n vinger op haar wipneus.
'Zou je dat echt willen weten, liefje? Nou, moet je horen.
Als ze mij zouden binden met zeven verse pezen, dan zal ik zo machteloos zijn
als een lam.'
Het is als grap bedoeld, maar de vijf koningen, die zich in
het aangrenzende kamertje hebben verborgen, nemen het antwoord serieus. Met
gekke grimassen en de duimen omhoog beduiden ze elkaar dat hun plan lukt.
Zachtjes glipt één van hen weg om zeven verse pezen te gaan halen. Simson is
heel argeloos gaan slapen op de bank. Zijn lange vlechten liggen over het
kussen en over zijn schouder. Hij snurkt zachtjes. Het is stil in de kamer.
Maar, o, kijk eens! Delila bindt Simson, zonder dat hij het merkt, helemaal
vast.
'Simson!' schreeuwt ze dan, 'De Filistijnen over u.'
Als door een wesp gestoken, springt Simson op en... Krakkrak!!
Hij verbreekt de pezen alsof het katoenen draadjes zijn.
'Grapje!' lacht Delila sluw. Maar spijtig bedenkt ze dat
Simson haar dus niet de waarheid heeft verteld.
Het wordt een soort spel tussen hen beiden. Zij blijft
doorzeuren dat Simson haar zijn geheim moet vertellen en hij verzint steeds wat
nieuws. Dan is het weer: 'Als je me met nieuwe touwen bindt..' en dan weer:
'Als je m'n haar in een weefgetouw vlecht...'
Telkens als Delila het uitprobeert blijkt het een leugen te
zijn.
Was Simson nou maar zo verstandig om niet meer naar haar toe
te gaan. Maar nee. Hij zoekt haar steeds op. Tenslotte gaat ze zielig doen.
'Je houdt niet echt van me,' snikt ze. 'anders zou je me
niet steeds voor de gek houden.'
En die stoere Simson, die met een leeuw heeft gevochten en
duizend Filistijnen gedood heeft, kan niet op tegen vrouwentranen. Als ze hem
dag in dag uit zo tergt, geeft hij tenslotte toe.
'Nog nooit is er een scheermes op m'n hoofd geweest, Delila.
Ik ben een knecht van God.' zegt hij ernstig.
En zij? Met een spotlachje hoort ze zijn verhaal aan.
Het is het heetst van de dag. Veel te warm om te werken.
Iedereen doet een middagslaapje. Ook Simson. Zijn hoofd rust op Delila's
schoot. Op hun tenen sluipen de vijf koningen binnen met een scheermes.
Voorzichtig worden Simsons zeven vlechten afgeschoren. Dan klinkt het triomfantelijk:
'Simson, de Filistijnen over u.'
Simson ontwaakt en denkt dat hij zich net als de andere
keren zal kunnen losrukken. Maar nee. Zijn kracht is geweken. De Filistijnse
vorsten overmeesteren hem met gemak.
Rond en rond gaat de molen in de gevangenis van Gaza. Het is
niet een ezel die de molen draait. Nee. Kijk eens goed. Die kale man met zijn
blindgestoken ogen is... Simson. Niet alleen zijn lichaam, maar ook zijn
gedachten draaien rond in zijn hoofd. DOOR ZIJN LIEFDE VOOR DELILA MOET HIJ NU ZO
LIJDEN. MAAR HET ERGSTE IS DAT GOD HEM HEEFT VERLATEN.
'Feest! Groot feest in de tempel van Dagon, onze God.' wordt
er omgeroepen in Gaza. 'Kom allemaal kijken naar Simson, de Israëliet, die
kunstjes voor ons doet.'
Schande en verdriet. God wordt bespot en zijn knecht Simson
uitgelachen. Maar wacht even. Simson zal zich wreken. Zijn haar is weer wat
aangegroeid en ook zijn kracht begint weer terug te keren. Als God hem zou
willen helpen, dan...
'Breng me eens bij die pilaren,' zegt hij tegen een jongetje
dat hem geleidt. Tastend glijden zijn handen langs de zuilen.
'O, God.' roept hij, 'Maak mij nog eenmaal sterk.'
Iedereen blijft staan om te zien wat die vreemde Israëliet
doet. Hij trekt en rukt, zijn rug kromt zich... Nog even!
'Laat mij met de Filistijnen sterven!' schreeuwt Simson uit.
Wramm!! O, kijk! De pilaren buigen door. Het gebouw stort
in. Bovenop de duizenden Filistijnen en bovenop Simson, die gedood wordt door
het vallende puin.
Bij de eenzame boom in het dal Sorek staat Delila. Ze draagt
schitterende kleren, maar haar hart is erg verdrietig. Ze heeft zo'n spijt.
DOOR HAAR SCHULD WERD SIMSON GEMARTELD EN GEDOOD. Hoe heeft ze toch zover
kunnen komen. Strelend glijden haar vingers over het hartje met de pijl, dat
haar er altijd aan zal herinneren hoeveel Simson van haar hield.
|
|